Memorielijst van de Brugse Schilders

Historici en kunsthistorici zijn zich sinds lang bewust van het belang van de memorielijst van de Brugse beeldenmakers. Zowel in de 19de als in de 20ste eeuw werd de tekst al gepubliceerd. Op de grote Memlingtentoonstelling van 1994 was het stuk voor het laatst te zien. De vermelding van Hans Memling in de memorielijst is uiteraard een aanwijzing voor zijn - in de literatuur steeds betwist - lidmaatschap van het ambacht van de beeldenmakers en zadelmakers. Ook Pierre Coustain, de 15de-eeuwse Bourgondische hofschilder, was ingeschreven in de memorielijst van de Brugse beeldenmakers en zadelmakers, wat betekent dat hij niettegenstaande zijn statuut van hofschilder ook lid was van het ambacht.

De memorielijst van het Brugse ambacht van de beeldenmakers en zadelmakers is wel degelijk een archivalisch, d.w.z. een officieel document. Als archiefstuk is het opgemaakt binnen het ambacht van de beeldenmakers en de zadelmakers. De memorielijst heeft gediend voor één van de activiteiten binnen het ambacht, namelijk de herdenking van alle overleden leden in een officiële eredienst. Hier moet ook worden onderstreept dat de memorielijst afkomstig is van het ambacht zelf en niet van een eventueel kerkelijk of religieus gilde binnen het ambacht. Dat het wel degelijk gaat om een document uit het ambachtsarchief blijkt uit twee aanwijzingen: vooreerst werd steeds bij elke inschrijving nauwkeurig geregistreerd tot welk let van het ambacht de overledene had behoord (schilders, zadelmakers, klederschrijvers of schilders op doek, boomhouwers of vervaardigers van zadelbogen, gareelmakers, glazeniers en spiegelmakers); vervolgens wordt bij sommige overledenen vermeld dat ze deken waren geweest: het gaat dan steeds om de deken van het ambacht.

De memorielijst is van bij zijn ontstaan als een belangrijk document geconcipieerd. Deze met veel zorg uitgevoerde initiaal, waarmee de tekst begint, is één van de aanwijzingen daarvoor.

Het register bevat dus na de gebeden voor de overledenen de namen van alle vrijmeesters van het ambacht die sinds 1450 tot 1801 als leden van het ambacht zijn gestorven, in principe in volgorde van overlijden. Het overlijdensjaar is pas vermeld sinds het begin van de 17de eeuw. Vóórdien is het overlijdensjaar soms door een andere hand bijgevoegd. Zo is bij Gerard David, op p. 27, veel later het (verkeerde) overlijdensjaar 1524 toegevoegd. In werkelijkheid stierf Gerard David in 1523. De veel voorkomende latere toevoegingen in het register moeten dus met de nodige kritische zin worden bekeken. Ook de volgorde van overlijden kan soms enigszins afwijken van de volgorde van inschrijving. Toch bevat het register een aantal objectieve gegevens die van groot belang zijn: de naam van de overledene met zijn beroep geeft zo goed als zekerheid over zijn lidmaatschap van het ambacht bij zijn dood; voor elke ingeschreven naam staat ook het bestaan van één persoon vast, wat van belang kan zijn om het onderscheid te maken bij verschillende dragers van dezelfde naam; en uiteraard is het al dan niet voorkomen van een naam een aanwijzing voor zijn overlijden in Brugge. Alles bij mekaar bevat het register gegevens over 354 schilders, 88 zadelmakers, vier boomhouwers, 120 klederschrijvers, 194 glazeniers, 85 gareelmakers, 26 spiegelmakers, vier folieslagers (schilders die ook bladgoud gebruiken), twee incunabeldrukkers en een dozijn anderen (vooral priesters-kapelaans). Opmerkelijk is dat de term "beeldenmakers"(kunstschilders) niet voorkomt in de memorielijst. Zoals bekend waren de Brugse schilders zeker niet uitsluitend als "beeldenmakers" actief, het waren ook en vooral gewone ambachtslieden. In de tweede helft van de 15de eeuw zou 7% van de Brugse actieve bevolking het beroep van schilder hebben uitgeoefend.

Hans Memling, schilder van o.m. het wereldberoemde Ursulaschrijn uit het Sint-Janshospitaal (nu: Memlingmuseum), was ingeschreven in de memorielijst: "Meester Jan van Menninghen"" scilder", waaruit blijkt dat hij bij zijn overlijden in 1494 lid was van het ambacht.