COLARD MANSION EN DE BRUGSE BOEKENWERELD
Ludo Vandamme

Colard MansionDe Brugse incunabeldrukker Colard Mansion voert ons terug naar Brugge in de tweede helft van de 15de eeuw. Vanaf de 13de eeuw was Brugge het raakpunt van de mediterrane en de Noord-Europese landen en daardoor een internationaal handelscentrum voor zowel de lokale handelaars als de buitenlandse handelshuizen die hier soms een permanent kantoor hadden. Er ontwikkelde zich een bijzonder drukke geldhandel en de Brugse kooplieden legden op hun beurt een internationale activiteit aan de dag. Brugge werd in de 15de eeuw bovendien een Bourgondische stad. De aanwezigheid van de hertogen van Bourgondië en hun hofhouding stimuleerde zeer sterk de bourgondisering van de aristocratische en burgerlijke cultuur.

De impulsen van het Bourgondische hofleven enerzijds en de internationale handel anderzijds vormden in Brugge de grondslag van een zeer gevarieerde en voornamelijk op de export gerichte luxenijverheid. Bovendien zorgden de verschillende specialisaties binnen de kwalitatief hoogstaande ambachten ervoor dat de stad zich inzake luxeproducten al snel onderscheidde van andere Vlaamse steden. De meest prestigieuze exponent van die industrie was de paneelschilderkunst, maar we mogen ook de diamant- en de ivoorindustrie niet vergeten, de edelsmeedkunst, de tapijtkunst enzovoort. Brugge was in de 15de eeuw bovendien een internationaal centrum van boekproductie. Tientallen ondernemers en werklieden, boekverkopers, kopiisten, verluchters, boekbinders, drukkers en perkamentmakers – allemaal verenigd in het gilde van Sint-Jan – waren in de sector tewerkgesteld. In de tweede helft van de 15de eeuw trad Colard Mansion op het voorplan. Het is interessant om wat dieper in te gaan op zijn persoonlijkheid als ondernemer die in een kosmopolitische stad in de wereld van het boek terechtkwam.

Een ondernemer

Colard Mansion was een man met aanzien, een intellectueel met een hoge sociale positie. Hij had een instinct voor nieuwe teksten, tal van editiones principes rolden van zijn drukpers, hij maakte vertalingen uit het Latijn en waarschijnlijk uit het Nederlands in het Frans, en ook uitgebreide parafrasen van bestaande teksten. Intussen liet hij zich in het gilde kennen als een vrijgevig lid wanneer het ging om de versiering van de gildekapel in de Eekhoutabdij in Brugge; hij was geldschieter en bracht wellicht nieuwe leden aan. In de periode van 1454 tot 1484 nam geen enkel lid van het gilde meer gezellen en leerjongens in dienst dan Colard Mansion.

Waar woonde die Colard Mansion in Brugge? Onderzoeker Henri Michel toonde al in 1925 aan dat Charles Carton zich vergiste toen hij het huis van Mansion achter het klooster van de Karmelieten situeerde. Ten laatste in 1478 opende Mansion een winkel en een werkplaats naast de Sint-Donaaskerk op de Burg, het kloppend hart van de boekenwereld in Brugge, waar al in de 14de eeuw boeken geschreven en verkocht werden.

De winkel en achterkamer werden tevoren geëxploiteerd door Morissis de Haec, een toonaangevende figuur in de Brugse boekenwereld, wat meteen een idee geeft van het belang van de Burg voor het boekenbedrijf.

Door de markt te verkennen en de uitvoering van opdrachten te coördineren, had ondernemer Mansion de boekproductie grotendeels in handen. Hij was de schakel tussen de afzetmarkt (de klant, de boekverkoper) en de productie van het boek (kopiisten, verluchters, boekbinders).

Waarschijnlijk deed Mansion voor de verschillende productiefases van de boeken een beroep op vaste medewerkers. Zo werkte hij voor de boekverluchting klaarblijkelijk nauw samen met het atelier van de Meester van het Getijdenboek van Dresden. Die Meester was in Brugge werkzaam tussen 1470 en 1480, maar hij nam ten gevolge van de spanningen tussen de Vlaamse steden en keizer Maximiliaan de wijk naar Doornik en vervolgens naar Amiens. Dit gegeven ondersteunt enigszins de hypothese van Michel, dat Mansion in 1484 uit Brugge wegging en zijn activiteiten in Picardië voortzette.

Voor de kalligrafie was het eigen handschrift van Colard Mansion de standaard. De aanlevering van de illustraties in diepdruk (kopergravure) kan volgens ons met Marc le Bongeteur in verband worden gebracht (zie verder). Aangaande het drukken van de boeken wijst niets erop dat Colard zelf de drukpers bediende.

In de tweede helft van de 15de eeuw was de boekproductie in Brugge vooral op het handgeschreven boek afgestemd. Mansion verwierf talrijke opdrachten voor het vervaardigen van handschriften. De Bourgondische luxemanuscripten waren de trots van de Brugse boekennijverheid, waarin Mansion een prominente plaats bekleedde. Het is bekend dat illustere klanten meermaals bestellingen voor het schrijven of het vertalen van teksten plaatsten: onder hen Filips de Goede (een Romuleon-manuscript, 1450), Filips van Crevecoeur, Filips van Hoorne en – uiteraard – Lodewijk van Brugge, heer van Gruuthuse, een bibliofiel van Europees niveau uit de entourage van het Bourgondische hof in Brugge. Enkele minder bekende schrijfopdrachten geven ons een vollediger beeld van Mansion en zijn klanten.
Noël Geirnaert kwam een contract op het spoor waaruit blijkt dat Jan Crabbe een luxemanuscript bij Mansion bestelde. Jan Crabbe was abt van de prestigieuze Duinenabdij; hij had veel belangstelling voor het humanisme en onderhield contacten met Italiaanse scriptoria in Brugge. Voor rekening van de abdij van Sint-Hubertus in de Ardennen maakte Mansion een rijk versierd manuscript met een ‘Vie de Saint-Hubert’, dat was geschreven door Hubert le Prévost van Rijsel. Het manuscript ging verloren in de brand van de abdij van Sint-Hubertus in 1635. De Rooy veronderstelt dat Mansion de Latijnse tekst van Prévost misschien in het Frans vertaalde.

Tot op heden is heel weinig bekend over de opdrachten die Mansion van lokale Brugse instellingen kreeg. We hebben geen weet van leveringen aan het Brugse stadsbestuur. Hoewel het stadsbestuur zowel rechtstreeks als via tussenpersonen veel bestellingen plaatste en onderaanbestedingen uitgaf – waarschijnlijk ook aan Mansion – vermelden de stadsrekeningen slechts weinig namen. Tussen 1470 en 1476 werd Mansions collega Morissis de Haec meermaals vergoed voor de levering van boeken. In dat laatste jaar nam Mansion de winkel van Haec over en wellicht ook zijn kliënteel.

Colard Mansion werd alleszins in 1462/1463 betaald door het Brugse Vrije voor ‘boucken die hy scryft ten oorbore van den lande’ (boeken die hij schrijft voor rekening van het Vrije). Het Brugse Vrije was het rijke en vruchtbare platteland rondom Brugge. Het bestuur van deze kasselrij was gevestigd op de Burg in het centrum van de stad. In 1478/1479 werd Mansion betaald om het nieuwe cartularium te verluchten, een index op te stellen, de randversiering te verzorgen, het bladgoud aan te brengen en het boek te laten binden met houten platten. De drukker speelde ook hier dus een coördinerende rol. Hij zag erop toe dat het cartularium zorgvuldig werd geprepareerd en afgewerkt. Waarschijnlijk ging het om het Roodenbouc, een cartularium dat schitterend versierd is met ornamentele initialen en een prachtige vigneture-rand die verwijst naar de Brugse ateliers van de jaren 1470/1480. Momenteel wordt het cartularium bewaard in het Rijksarchief in Brugge.

Colard Mansion kreeg behalve grote en belangrijke opdrachten ook meer bescheiden aanvragen, zoals het opstellen en schrijven van zes aanplakbiljetten met de tekst van nieuwe verordeningen van het bestuur van het Brugse Vrije. De affiches werden opgehangen in zes dorpen en stadjes in de omgeving van Brugge. Deze nieuwe gegevens voegen een aspect toe aan de onderneming van Colard Mansion, namelijk de uitvoering van overheidsopdrachten.

Het gedrukte boek

Al vanaf het prille begin van de boekdrukkunst circuleerden in Brugge gedrukte boeken: de eerste in Mainz gedrukte bijbels werden er verlucht en het oudste bewaard gebleven boek in Engeland werd in 1467 in Brugge verkocht. De familie Strozzi transporteerde via Brugge, in Italiaanse galeien, boeken naar de noordoostelijke gebieden van Europa. Als ondernemer in de boekenwereld ontdekte Colard Mansion al snel de mogelijkheden van de typografie. Vanaf het jaar 1476 wijdde hij zich aan de drukkunst, in het kielzog van de tandem William Caxton–Jan Veldener. De mechanische reproductie van teksten werd geïntegreerd binnen de andere fases van het productieproces, die voorlopig niet-gemechaniseerd bleven.

De beslissing om een tekst al dan niet te laten drukken, hing bij Mansion af van de marktsituatie. Voor slechts twee van de vijf teksten die hij zelf vertaalde en eventueel zelf parafraseerde – namelijk La Pénitence d’Adam, Le Dialogue des créatures, Ovide moralisé, Le Donat spirituel van Jean Gerson en Vie de Saint-Hubert van Hubert le Prévost – nam hij het risico om ze te drukken. Kort na zijn tijd of misschien nog aan het einde van zijn carrière in Brugge was de markt klaar voor een gedrukte versie van de overige teksten (Le Dialogue des créatures bv. werd door Gerard Leeu in Gouda gedrukt in 1482).

Naar het einde van de middeleeuwen toe werd in de scriptoria al een rationele arbeidsverdeling toegepast, vooral voor het illustreren van boeken. Mansion ging nog een stap verder: in 1476 publiceerde hij het eerste met kopergravures verluchte boek: De casibus virorum illustrium van Giovanni Boccaccio in een Franse vertaling van Laurent Premierfait. In de muntateliers en wisselkantoren van Brugge was immers een enorme kennis en ervaring beschikbaar.

In 1474, op het ogenblik dat Caxton – waarschijnlijk in samenwerking met Mansion – zijn drukatelier opstartte, verscheen de eerder genoemde Marc le Bongeteur opnieuw in de stad, een edelsmid die ambtshalve hoofd van het Brugse muntatelier was. Was hij de anonieme kopergraveur waarop Mansion een beroep kon doen? Er zijn alleszins verschillende zeer figuratieve munten van zijn hand bewaard gebleven; aan de voorzijde daarvan staat hij zelf in profiel afgebeeld en op de keerzijde prijkt een gevleugelde leeuw die zijn poot op de Bijbel legt. Le Bongeteur stierf in Brugge omstreeks het einde van 1480. Zijn zoon Colard nam het atelier over maar vertrok twee jaar later al naar Gent, zodat voor Mansion een belangrijke schakel in de productieketen van de boeken wegviel. In het enige werk dat Mansion nog uitgaf na dat jaar, te weten de Ovide moralisé in 1484, maakte hij weer gebruik van de houtsnede. Merkwaardigerwijs drukte hij voor deze uitgave tekst en illustraties ook in afzonderlijke drukgangen. Marc le Bongeteur was uit Artesië afkomstig, zoals waarschijnlijk ook Colard Mansion. Hij werd in Hesdin geboren en verwierf in 1442 het poorterschap van Brugge, waar hij tien jaar later een van de vier wisselkantoren van de stad exploiteerde. Hij woonde van 1468 tot 1472 in Leuven als eerste keurmeester van de muntslag van Karel de Stoute. Het jaar daarna was hij hoofd van het muntatelier van Brugge.

Marc le Bongeteur onderhield in elk geval goede relaties met de boekenwereld van de metropool. Het register van het gilde van de librariërs, dat wordt bewaard in het Stadsarchief van Brugge, leert ons dat hij vanaf 1454 – het eerste jaar in het register – zonder onderbreking lid was tot aan zijn dood. In het register staat ook een neef van Marc vermeld. Dat was mogelijk Clais le Bongeteur die in 1457 of 1458 van het hertogelijke hof van Bourgondië een opdracht kreeg die hij samen met Colard Mansion uitvoerde.

Voor de illustratie van zijn Boccaccio paste Mansion verschillende technieken toe. Er zijn vier staten van deze druk bekend. In enkele boeken zijn de gravures gedrukt, in andere zijn ze als aparte prenten ingekleefd. In het merendeel van de exemplaren, bijvoorbeeld in die van de Openbare Bibliotheek van Brugge, zijn de plaatsen van de gravures blanco gebleven. Joseph Van Praet zou, naar eigen zeggen, exemplaren met geschilderde miniaturen in handen hebben gehad. Uit alles blijkt dat Mansion zich soepel aan de omstandigheden aanpaste, door de beginpagina’s te veranderen of zelfs door de tekst in te korten om zodoende een zo gevarieerd mogelijk fonds te koop te kunnen aanbieden.

De geschilderde verluchting in de gedrukte boeken werden uitgevoerd naar de smaak en de wensen van de klant. Brugge was alleszins goed uitgerust voor dat soort bestellingen. De Brugse en de Parijse exemplaren van de Ovide moralisé, met hun verzorgde vigneture-randversiering en versierde initialen, zijn van twee verschillende ateliers afkomstig. Aan het atelier waar het Parijse exemplaar werd verlucht, kan ook de begininitiaal van een biblia latina van Amerbach worden toegeschreven; deze bijbel werd aangekocht door de reguliere kanunniken van Zonnebeke, ongeveer 50 km ten zuiden van Brugge, en bevindt zich vandaag in de Openbare Bibliotheek van Brugge. Ook de randversiering van een drukwerk van Lorenzo Valla van Keulen uit 1476 kan aan datzelfde atelier worden verbonden: het Elegantarium linguae latinae libri, dat bovendien voorzien is van een contemporaine Brugse gestempelde band. Een inventaris van de randversieringen in de drukwerken van Mansion zou een antwoord kunnen bieden op de vraag of hij de decoratieve afwerking al dan niet volledig overliet aan de voorkeuren van de kopers van zijn boeken.

De Bourgondische adel

Colard Mansion wordt bij voorkeur gesitueerd in de cultuur van het hof van de Bourgondische hertogen. Hij droeg zijn vertalingen en manuscripten op aan een Franstalige aristocratie die zich door de culturele uitstraling en de levensstijl van de hertogen van Bourgondië liet inspireren, en ook een groot deel van zijn gedrukte boeken is op die kringen gericht. Onderzoek heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat een derde van de door Mansion uitgegeven titels zich in manuscriptvorm in de bibliotheek van Lodewijk van Brugge, heer van Gruuthuse, bevond.

Over dat alles ontbreken nog meer precieze gegevens. De mooi verluchte Ovide moralisé in het bezit van de Openbare Bibliotheek van Brugge draagt onderaan op de eerste pagina van de tekst het eigendomsmerk van Charles de Croy: Ce livre d’ovide de metamorfose en franchois appertient a monseigneur Charles de Croy, seigneur d’avesnes, Wavrin, Lillers Saint-Vernant etc. (Dit boek van de metamorfosen van ovidius in het frans behoort toe aan de heer Charles de Croy, heer van Avesnes, Wavrin, Lillers Saint-Vernant enz.), met daarbij zijn handtekening. Dit exemplaar komt uit een Brugs atelier dat zowel manuscripten als gedrukte werken verluchtte en is een typisch product voor de bibliofiele aristocraat met een voorliefde voor al wat Bourgondisch is. De omlijsting van de eerste pagina is rijkelijk versierd. Charles de Croy, ook en vooral bekend als de prins van Chimay, was een van de steunpilaren van de politiek van keizer Maximiliaan van Oostenrijk. In 1481 werd hij door de Habsburgse soeverein opgenomen in de Orde van het Gulden Vlies. In die periode bouwde Charles de Croy een zeer prestigieuze bibliotheek op.

Niet enkel de aristocratie maar ook de burgerij in de steden toonde interesse voor de nochtans lijvige Ovidius-tekst in een dure luxe-editie. In de bekende bronnen vinden wij weinig aanwijzingen over de particuliere bibliotheken in de Vlaamse steden aan het einde van de 15de en het begin van de 16de eeuw. Van de stad Amiens in Picardië bleven wel talrijke boedelbeschrijvingen bewaard, die enige informatie over boekencollecties bevatten. Albert Labarre ontdekte dat in Amiens bij het begin van de 16de eeuw minstens vier exemplaren van de Ovide moralisé te vinden waren, onder andere bij enkele functionarissen en juristen bij de rechtbanken en bestuursinstellingen, met name Antoine de Cocquerel, Simon Pilate en Pierre le Riche. Bekender is natuurlijk het met kopergravures versierde exemplaar van de Boccaccio uit het bezit van Charles de Wascoussins. De eerste eigenaar van het enige bewaard gebleven exemplaar van de met miniaturen verluchte Boëtius (tegenwoordig in de Cambridge University Library) was de Brugse arts Rogier Willeron.
Er was dus zeker een ruime markt voor de Ovide moralisé en aanverwante teksten en Mansion lijkt dat goed te hebben ingeschat.

Hoewel Mansion een voornamelijk Franstalig fonds samenstelde, mag niet worden vergeten dat hij ook werken in het Latijn drukte. Wellicht in 1469 gaf hij het volledige werk van Pseudo-Dionysius de Areopagiet uit, dat brieven maar ook verhandelingen over de Goddelijke Namen, de Hemelse Hiërarchie enzovoort bevatte. De anonieme auteur, die leefde rond het jaar 500, streefde naar een synthese tussen het christelijke denken en het Griekse neoplatonisme. De auteursnaam Dionysius nam hij aan naar het voorbeeld van de Athener die zich, als gevolg van de predikingen van de heilige Paulus, tot het christendom had bekeerd.

De voor zijn tijd moderne en humanistische tekst van de mystieke theoloog werd uit het Grieks in het Latijn vertaald door de Italiaanse humanistische monnik Ambrosius Traversius. Uit aanduidingen in sommige overgeleverde exemplaren kunnen wij opmaken dat de tekst aanwezig was in bibliotheken van geleerden en abdijen, bijvoorbeeld in de celestijnenkloosters van Metz en Amiens. In de daaropvolgende decennia beroerde de christelijke mystiek van Pseudo-Dionysius bovendien de kringen van de vroege humanisten aan de universiteit van Parijs. In 1499 bracht Jacques Lefèvre van Etaples op zijn beurt een nieuwe editie uit van de vertaling van Traversarius.
De beperkte informatie die uit de eigendomsmerken af te leiden is, geeft aan dat Colard Mansion zich met zijn fonds voornamelijk op een Franstalig en bij voorkeur aristocratisch publiek richtte

Een Franstalig fonds

Mansion ging op zoek naar Franse teksten om te drukken.
Hij was er als doorgewinterde handelaar in de eerste plaats op uit om een gevarieerd boekenfonds samen te stellen. In 1476/77 gaf hij een Franse prognostication (toekomstvoorspelling) uit. Met een uitgave van de Disticha van de Pseudo-Cato oriënteerde hij zich op onderwijskringen. Andere teksten konden zowel aristocratische lezers als een breder publiek aanspreken. Les Evangiles des quenouilles (Die evangelien vanden spinrocke) behoort ongetwijfeld volop tot de Bourgondische cultuur. De twee bewaard gebleven manuscripten van de tekst zijn luxeversies. Eén ervan was in het bezit van Maria van Luxemburg, de weduwe van Lodewijk van Luxemburg, graaf van Saint-Pol, die in ongenade was gevallen bij Lodewijk XI en in 1475 in Parijs werd onthoofd. Een vergelijkbaar werk was La Danse des aveugles (Vanden drie blinde danssen) van Pierre Michault, secretaris van Karel de Stoute, waarvan het enige bekende exemplaar uit de oplage van Mansion een tiental jaren geleden door Gerard van Thienen werd ontdekt in de Nationale Bibliotheek van Oostenrijk.

De vorm en de inhoud van deze drukken geven aan dat Mansion hier wellicht ook een breder publiek op het oog had. Het zijn goedkope kleine boekjes van twintig tot dertig pagina’s zonder illustraties, in tegenstelling tot de uitgaven van Mansions concurrenten in die tijd. De verspreiding van Les Evangiles des quenouilles onder het volk leidde tot donderpreken van broeder Olivier Maillard, een beroemde volksprediker.

Mansion keerde Brugge definitief de rug toe in 1484. Over dit onderwerp is al veel inkt gevloeid en talrijk zijn de auteurs die geprobeerd hebben te achterhalen en te beschrijven wat er precies is gebeurd. Vermeldenswaard is het feit dat Mansion het slachtoffer was van de politieke en economische crisis van de jaren 1480. De dubbele ontwikkeling die het succes van Mansion in Brugge mogelijk had gemaakt – de luxenijverheid van exportgoederen en de bourgondisering van het sociale en culturele leven – was verdwenen. Vooral het conflict tussen de Vlaamse steden en keizer Maximiliaan van Oostenrijk, na de dood van Maximiliaans echtgenote Maria van Bourgondië, maakten het commerciële leven in de stad onmogelijk. De stad Brugge voerde, in het spoor van Lodewijk van Brugge, een Franse politiek. In 1482 werd Artesië een deel van Frankrijk. Mansion, die zich in het verleden weinig dienstbaar had getoond aan de Franse koningen, bevond zich tussen twee vuren. Bovendien waren de commerciële distributiekanalen, waarop elke boekenonderneming steunde, dichtgeslibdd en het internationale kliënteel smolt als sneeuw voor de zon. Maximiliaan van Oostenrijk zette alles op Antwerpen met als gevolg dat de vreemde kooplui die al zo lang in Brugge gevestigd waren, naar de nieuwe metropool verhuisden en dat zelfs Brugse ondernemers voor de Antwerpse markt kozen. Zoals Colard Mansion dertig jaar eerder door Brugge was aangetrokken, lieten drukkers-uitgevers als Gerard Leeu zich nu naar Antwerpen lokken, het nieuwe Mekka van de boekdrukkunst. Het resultaat was een bloeiende boekenmarkt vanaf 1481.

Colard Mansion kon met zijn Franstalige aanbod van boeken niets beginnen in Antwerpen. Natuurlijk werden ‘zijn’ teksten ook op de Antwerpse persen gedrukt, maar dan in een Nederlandse vertaling. Een veelzeggend voorbeeld daarvan is Le Jardin de dévotion, nota bene het primum opus impressum per Colardum mansion Brugensis (het eerste gedrukte werk van Colard Mansion van Brugge): Gerard Leeu bracht in 1487 in Antwerpen een Nederlandse vertaling uit onder de titel Het Hofken van devocien (ILC 217). Nauwkeurig onderzoek bracht aan het licht dat deze Nederlandstalige uitgave gebaseerd was op die van Mansion. De tekst zelf is verknoeid door enkele zeer onduidelijke passages, te wijten aan een slordige vertaling. De trieste erfenis van een voorgoed afgesloten periode.