Een codicologische en paleografische kijk op het vademecum-handschrift van Rombout de Doppere

Martine Eeckhout en Ludo Vandamme

Historisch onderzoek brengt Rombout de Doppere en zijn vademecum tot leven. Maar er zijn meer wegen die iets kunnen bijbrengen over de auteur en zijn tekst. In deze tekst staat het handschrift zelf centraal. Deze ‘autopsie’ van het manuscript als materieel object kon terugvallen op het restauratierapport van het handschrift uit 2011.

Papier

In de late middeleeuwen nam in onze gewesten papier hoe langer hoe meer de plaats in van perkament als schriftdrager. De introductie en het toenemend gebruik van papier voor Brugse overheidsdocumenten tijdens de 14de eeuw werd in 2003 uitstekend aangetoond door Pieter Santy. Papiergebruik tijdens de 15de eeuw en dit binnen verschillende gebruikersgroepen wacht nog op onderzoek. Niettemin lijkt het er sterk op dat kronieken, artesteksten en andere handschriften in de volkstaal overwegend op papier werden geschreven. Dit geldt ook voor het vademecum van Rombout de Doppere.

Reclamant onderaan folio 24vHet handschrift omvat 18 ½  bladen papier (formaat: ca. 43,6 x 29 cm). De 18 volledige bladen werden alle in vier gevouwen (quarto formaat); elk blad leverde met andere woorden vier bladen of folio’s, of acht bladzijden op. Drie gevouwen bladen werden vervolgens in elkaar geschoven om een katern te vormen. Een dergelijke katern telt bijgevolg 12 bladen, of 24 bladzijden. Het boekblok van het vademecum is opgebouwd uit zes katernen, samen 72 bladen. De bladen werden door een moderne hand in potlood gefolieerd, van 1 tot 72. Omheen dit blok werd een dubbelgevouwen half blad als eerste omslag aangebracht. Het formaat van het handschrift is 21,8 x 14,5 cm.

Alle bladen papier dragen hetzelfde watermerk  dat verwijst naar de fabrikant of papiermolen. In principe betreft het twee identieke watermerken, want in een papiermolen werd telkens met twee schepramen gewerkt waarop eenzelfde merk was aangebracht. Dit  merk bestaat uit een grote gotische letter P, waarvan de letterstaart uitloopt op een dubbele staart. Dit watermerk verwijst overwegend naar Frans papier en maakt deel uit van een groep dichte varianten (Briquet, 8527-8537), ook in gebruik in Brugge (1473-1499). Een watermerk werd bijna steeds aangebracht middenin één helft van het schepraam. Dit verklaart waarom in dit handschrift, waarbij elk blad papier tweemaal werd gevouwen, het watermerk in de plooi steekt, en dus moeilijk te identificeren valt (het duidelijkst op f. 19r). Mogelijks zette dit eerst Eusèbe Feys en vervolgens Antoon Viaene op het verkeerde been; Viaene identificeerde het watermerk verkeerdelijk als  Briquet 8087, een gotische  B waarvan het gebruik enkel werd geattesteerd in 1466 in Koblenz.

Papier was in de late 15de eeuw overvloedig aanwezig in Brugge, weliswaar steeds als importproduct uit Italië en hoe langer hoe meer uit Frankrijk. Een lokale gebruiker zoals Rombout de Doppere kon zich bevoorraden bij de lokale papierhandelaren, dit waren overwegend ‘cruydeniers’ die in tal van exotische waren handelden, of librariërs. Deze laatsten leverden meestal klaargemaakte schrijfboeken, in de vorm van registers of minstens in de vorm van geplooide en gelinieerde bladen of katernen.

Schrijven

De Doppere was een professional die voor het vademecum papier gebruikte dat hij bij de lokale papierhandelaar betrok. Het schrijfklaar maken behoorde tot zijn expertise, maar veel liet hij hier niet aan gelegen. De bladen werden niet bijgesneden en vanuit hun oorspronkelijke vorm in vier gevouwen en opengesneden, waarna onmiddellijk tot het schrijven werd overgegaan. De vier tekstonderdelen beginnen telkens op een rectozijde (f. 1r, 54r, 57r, 62r), ook al diende daartoe tot anderhalve pagina papier blanco te blijven. Ook het identieke watermerk doorheen het boekblok laat veronderstellen dat het schrijven zich in één beweging of toch minstens in een korte tijd voltrok.

Stukje beschreven perkament ter versteviging van de naaigatenDe afschrijving of het uitzetten van de schrijfspiegel van elke pagina liet geen sporen na, al zal hier wel een hulpmiddel zijn gebruikt. Evenmin zijn er sporen van prikkingen en liniëringen en dat laat zich zien: de geschreven regels lopen niet steeds horizontaal en het aantal regels verschilt van pagina tot pagina (gaande van 23 tot 27 regels). Dat er nauwelijks correcties of doorhalingen aan te wijzen zijn, verwijst naar een degelijke legger die voor deze schrijfarbeid beschikbaar was. En dit alles laat ook de mogelijkheid open dat de tekst werd geschreven vooraleer de bladen werden opengesneden (zie bijvoorbeeld tekst die doorloopt over de plooi, f. 24r; inktvlek op f. 42r én f. 43v). Voor dit ‘werken op onopengesneden vellen’ werd in 1978 voor het eerst door Pieter Obbema op een systematische manier aandacht gevraagd.

De inkt waarmee in de late middeleeuwen werd geschreven was ofwel ijzergallusinkt ofwel roetinkt, gebaseerd op koolstof (bijvoorbeeld: lampzwart). De inkt oogt als een ijzergallusinkt, maar het testen (f. 10 en 71)  op de aanwezigheid van Fe2+ ijzerionen leverde een negatief resultaat op. Een roetinkt liet zich, anders dan op perkament, probleemloos gebruiken bij het schrijven op papier.

Schrift

Algemeen wordt aangenomen dat het vademecum een autografisch handschrift is, met andere woorden een handschrift geschreven door de auteur zelf, Rombout de Doppere. Het gerubriceerde colofon waarmee het handschrift op f. 72r afsluit, luidt overigens: ‘Scriptum per me Rumoldum de Doppere presbiterum in artibus magistrum anno 1491’. Rombout was een geoefend schrijver. Schrijven behoorde niet alleen tot zijn dagelijkse praktijk, als notaris was het bovendien zijn belangrijkste professionele activiteit. Beroepsschrijvers beheersten uiteenlopende schrifttypes en pasten die toe naargelang de schrijfopdracht.

Oorkonde die als kaft van het vademucum fungeertVoor dit handschrift hanteerde Rombout de Doppere een cursiva. Het was het meest verspreide schrift in onze gewesten in de 15de eeuw. De cursieve schrijfletter vormt een brede groep die zich door enkele heel bijzondere kenmerken onderscheidt van de textualis, die andere grote groep van verwante schrifttypes uit de late middeleeuwen (12de-15de eeuw). De drie meest opvallende kenmerken van de cursiva zijn de ‘moderne’ vorm van de ‘a’ (niet in twee verdiepjes, zoals bij de textualis), de lange vorm van de ‘f’ en ‘s’, die doorloopt onder de schrijflijn en de lussen aan de schachten van de ‘b’, ‘h’, ‘k’ en ‘l’, die bovendien van rechts worden aangezet. Al deze kenmerken zijn duidelijk herkenbaar in de autografische hand van het vademecum. Daarmee onderscheidt deze hand van Rombout zich van variante vormen binnen de grote familie van de cursiva, en vooral van de hybrida. De hybrida is een cursief zonder lussen aan de genoemde letters. Het was een schrifttype dat beroepsschrijvers graag als boekschrift hanteerden, zeker in Brugge en andere schrijfcentra in de Nederlanden. De meest bekende hybrida-vorm is de zogenaamde bastarda, in gebruik in Bourgondische luxehandschriften.

Dat Rombout de Doppere opteerde voor een vlotte, cursieve letter houdt wellicht verband met zijn beroep. Als notaris schreef hij overwegend officiële documenten zoals gerechtelijke vonnissen en testamenten, een genre dat haast per definitie een oorkondenschrift vereiste, een cursiva dus. Het schrijven van het vademecum gebeurde bijgevolg in het verlengde van zijn professionele activiteiten. Het is een treffende getuige van de wijze waarop een bij uitstek oorkondenschrift zich opwerpt als boekschrift.

In dit vademecum hanteert de scribent de cursiva op een bijzonder vlotte manier, met letters, soms ook woorden die aan elkaar geschreven worden, en een veelvuldig gebruik van afkortingen en ligaturen. Dit wil zeggen dat De Doppere opteerde voor een losse hand, voor een lopend schrift, met andere woorden voor een currens en niet voor een stijve formata (zoals het schrift van de notariële akte die als omslag van het vademecum werd gebruikt). Subjectiviteit in deze benadering is nooit ver weg, maar besluitend kan het schrift waarmee Rombout de Doppere zijn vademecum op papier vastlegde, als een littera cursiva currens worden omschreven. 

Decoratie

Het manuscript is een uitgesproken teksthandschrift en illustraties ontbreken. Daarentegen werd het handschrift uitvoerig gerubriceerd. Rubriceringen gebeurden door eenzelfde hand, door Rombout de Doppere dus. Ze laten toe reliëf aan te brengen in een vlakke tekst, en dit is hier op een oordeelkundige manier gebeurd. In rood staan: de titel van het tekstonderdeel waarmee het handschrift opent (f. 1r), het onderstrepen van tussentitels, het uitlichten van plaatsnamen in de linkermarge, paragraaftekens, tekstonderstrepingen, leestekens, lijnvullingen (bijvoorbeeld f. 14r) en het colofon. Alhoewel dit niet werd onderzocht, mag er worden van uitgegaan dat voor het rubriceren het pigment vermiljoen werd gebruikt, algemeen beschikbaar in werkplaatsen van schilders en schrijvers.

Band

Reclamanten (het noteren van de beginwoorden van de volgende katern onderaan een folio, zie f. 12v, 24v, 36v, 48v, 60v) zorgden ervoor dat de zes katernen in de correcte volgorde bleven op het moment dat ze samen werden gebonden. Daartoe werd geopteerd voor een eenvoudige bindstructuur, aangepast aan het sobere papieren handschrift en de perkamenten omslag. Dat wil zeggen dat de katernen niet op bindingen werden genaaid, wel met elkaar verbonden via twee strengels; de strengels van de eerste en zesde katern werden ook door het perkamenten omslag geregen dat op deze manier aan het boekblok werd bevestigd. De 2x2 naaigaten in de vouw van elke katern werden verstevigd met smalle strookjes perkament. Deze strookjes hebben een drievoudige oorsprong: strookjes onbeschreven perkament en twee soorten strookjes maculatuur met Latijnse tekst van een verschillende oorsprong. Dergelijke restjes beschreven perkament zal een notaris als Rombout de Doppere wel steeds bij de hand hebben gehad. Wellicht diepte hij ook uit die voorraad  de oorkonde op perkament die als omslag werd gebruikt en daartoe op maat van het boekblok werd ingevouwen. Het betreft een testament van een kapelaan van Sint-Donaas dat als een notariële akte in 1453 werd opgetekend, een stuk recht uit de leefwereld van Rombout. Net zoals het boekblok draagt ook de band bij tot de eenvoud van deze codex.